Het verhaal van de graankorrel

Dit verhaal schreef Jonatan Bartling voor het project Tafel van Hoop in Den Haag. We gebruikten het bij Zinnig Noord voor de stiltewandeling over nieuw leven, afgelopen Paaszondag. Het is een interpretatie op het paasverhaal.

De graankorrel
Jonatan Bartling

Het leven begint in de lente. De warmer wordende zon lonkt met haar stralen en verwarmt de bodem. En als het moment daar is, schiet een groen kiempje uit de aarde –zo simpel, lijkt het. De kiem groeit uit, vol levenslust, bladeren vangen zon en zijn wortels water. Langzaam wordt het sprietje een stevige stengel, bloeit uit, bevrucht zichzelf en het kleinste bosje bloemen ontpopt zich dan tot een trotse tros korrels in een wuivende zee van goudgeel graan.

Een graankorrel springt eruit. Dat zou je niet zomaar zien als je langsfiets, of zelfs door het veld loopt. Maar ja, er zijn zoveel dingen die je niet ziet als je niet oplet. Deze graankorrel glimt net iets meer dan zijn soortgenoten. Het is de bovenste korrel van een prachtige korenaar. In de ochtendzon lijkt zijn jasje van zuiver goud, in het felle middaglicht schittert hij als zilver en onder de warme stralen van de namiddag glanst hij als koper.

Maar als de zon zakt slaat er altijd een lichte paniek toe. Wat als het licht niet meer terugkomt? De stengel voelt dan net wat minder stevig onder hem. Wordt ik nog wel gedragen? In het bleke maanlicht ziet zijn jasje, zijn trots, er maar ongezond uit. En als het donkerder en kouder wordt, hoopt hij zo hard als hij kan dat de zon weer terugkomt. Alsjeblieft! En als die zich de volgende ochtend gewoon weer laat zien, al is het maar door de wolken, dan is er dat enorme gevoel van opluchting en dankbaarheid. En tegen het middaguur is hij al weer zijn oude zorgeloze zelf. Hoe had hij zo bang kunnen zijn? Waarom valt vertrouwen hem soms zo zwaar?

Maar koren leeft makkelijk in het moment. En meestal is het leven in het veld eenvoudig en goed. De lente was het begin van de korrel en de zomer is zíjn seizoen. De winter kon hij zich niet herinneren en van een herfst weet hij niet af. Tijd is er niet, behalve in het opkomen en ondergaan van de zon. De korrel heeft niet door dat dat de dagen steeds iets korter werden, hoe kon hij dat weten?

En dan, op een zekere dag, voelt er iets anders. Hij voelt onrust, hij voelt … de grond door de stengel heen trillen. Hij trilt zelf, zachtjes. Vogels stuiven weg, insecten graven zich naar beneden. Mensen. Ze banen ze zich een weg door het veld en baan na baan valt het graan onder grote zeisen. Pech of geluk, toeval of voorbestemd, de graankorrel is zo rijp dat als een van de mannen langs hem schuurt, hij als vanzelf uit zijn aar valt en door een voet de aarde in wordt gestampt.

Weet je, graankorrels denken niet al teveel na over het leven. Over waar ze vandaag komen, of waar ze naar toe zouden gaan, of wat hun doel in het leven is, dat er überhaupt zoiets zou kunnen zijn. Eigenlijk… zijn ze gewoon. Tot dit moment. Het moment dat hij valt. Niet meer gedragen. En het flitst door hem heen dat hij iets misloopt. En in de donkere grond wordt hij overweldigd door een diep gevoel van verlies. Heeft hij verloren? Viel er te winnen? Of ís hij verloren? Zijn korte leven voelt nu zo zinloos aan. Wat heeft hij nu aan dat gouden jasje, wat heeft hij er ooit aan gehad?

Onder de grond bestaat er nóg minder tijd dan daarboven, want de zon schijnt er niet. Paniek. De grond wordt nog wel warm en koud, maar steeds minder warm een steeds meer koud. Zijn jasje raakt doorweekt en wordt steeds bleker en begint te scheuren. Vocht trekt dieper en dieper naar binnen. Een verloren bestaan. Hij kan zich er niet mee verzoenen. Hij zal vasthouden tot het bittere eind, die harde, taaie korrel. Maar niemand is taaier dan de tijd. En zo komt het moment dat de graankorrel zich overgeeft aan zijn lot. Hij laat zich gaan. Hij sterft. Nu staat de tijd echt stil. Alles staat stil…

Wat de korrel niet weet, is dat er binnenin hem, toen het tarwebloempje bevrucht raakte en hijzelf begon te groeien, een kiem in hem meegroeide. En een voorraadje voedsel, voor het begin van een nieuwe reis. En dat die reis pas kan beginnen als de harde schil zacht wordt en afbreekt. Dan kan het leven binnenin pas doorbreken. En zo begint op een zekere dag, als de tijd rijp is, een nieuw avontuur: hij wordt geboren. Niet omdat hij dat zo hard wil, of omdat hij zo taai en sterk en vastberaden is, maar simpelweg … omdat dat in zijn aard besloten ligt. De aarde draagt en voedt en dus slaat hij zijn wortels uit naar beneden. De regen lest zijn dorst en dus zuigen de wortels het omhoog. De zon doet hem groeien en dus reikt hij zich naar hem uit. Je zou haast kunnen zeggen dat er voor hen gezorgd wordt.

De graankorrel groeit uit tot iets nieuws. Hij is groter nu. Niet alleen meer een korrel, maar ook wortels en stengel en bladeren en bloemen en dan ook een volle korenaar. Hij draagt en wordt gedragen, hij voedt zich en wordt gevoed, hij ontvangt zonlicht en stuurt het door naar waar nodig is.

En weer staat hij in dat veld, en toch lijkt de wereld nieuw. Nooit voelde hij zo levendig hoe de wind hem heen en weer wuift, hoe de wolken voorbij trekken, druppels laten vallen. Hoe insecten krioelen, of brommend voorbij vliegen. Hoe de warme lucht trilt. Hoe alles beweegt, en hoe hij meebeweegt.

Als de maaiers het veld weer betreden is hij niet bang. Hij kan een open einde omarmen. Als zijn halm en aar worden weggerukt door het blad van het mes, blijven zijn wortels en de onderkant van de stengel staan. Hij is nu in de grond én in de lucht, en dan ook in een zak, op een kar, over een hobbelweg. En als de zak wordt leeggestort ligt hij op een dorsvloer waar mannen met stokken het kaf van het koren scheiden. Al die kale korrels belanden tussen zware stenen, worden vermaalt, en vermengd. Nu is hij deel van het meel. Dan komen water en stevige handen die knijpen en kneden en rollen en stompen. Nu is hij deeg. De oven wacht, maar hij weet dat de vlammen hem niet kunnen deren, alleen transformeren. Nu is hij brood. Een nieuwe reis begint.